|
|
In deze ijzige tijden, met een overvloed aan enthousiaste mensen die met het ‘oranje’ gevoel over de dikte van het ijs praten, voel ik me een beetje buitengesloten, een toeschouwer. Ik heb niks met schaatsen. Nooit gehad. Zelfs in de periode dat ik tussen mijn 12de en 16de op mijn Friese doorlopers de Amsterdamse grachten onveilig maakte, merkte ik dat mijn vriendjes fanatieker schaatsten dan ik. Voor pootje-over had ik geen enkele belangstelling. Op de gracht waar ik het meeste schaatste werden geen rondjes gereden. Het ging van de ene naar de andere kant en daar aangekomen werd er krachtig geremd en keek ik trots om me heen, omdat ik niet gevallen was. Dan weer snel naar de andere kant. Het mooiste was wanneer er een lange sliert was en ik aan het eind schaatste, dat gaf dan een enorme ‘zwiepert’ bij het remmen. Bijna vallend, zocht ik dan iemand op om vast te pakken. Mijn schaatstechniek was net goed genoeg om me op zo’n moment te richten op één van de meisjes, die normaal gesproken onbereikbaar voor me waren. Met een gestameld: ‘Dank je wel voor het opvangen’, keek ik al weer uit naar de volgende noodlanding.
Na mijn zestiende heeft het waarschijnlijk een aantal jaren niet meer gevroren, schaatsen kwam er niet meer van. De in die tijd net geopende Jaap Edenbaan, lokte niet. Voor de meisjes had ik het ijs niet meer nodig, ik deed inmiddels aan stijldansen. Ard en Keessie, die in de jaren die volgden razend populair waren, boeiden mij niet, hun rondetijden nog minder. Het paarsgewijs rondjes rijden waarbij de winnaar van die twee in de meeste gevallen de eindwinnaar niet is, vind ik saai en brengt me niet in vervoering.
Toen al was ik toeschouwer en verbaasde ik me over de opwinding die zich van Nederland meester maakte als er alleen al sprake was van een Elfstedentocht. Afgelopen week, met het NK op natuurijs, was die opwinding er weer. Bij menigeen stond wedstrijdlang de TV aan en keek iedereen uit naar de nieuwe schaatsheld van Nederland. Het verbaasde me slechts en ik vroeg me af of ik wellicht de nieuwe ‘Leever’ ben en al het schaatsenplezier ga tegenhouden. Stelt u gerust, ik gun iedereen zijn plezier, als ik dan maar toeschouwer op afstand mag blijven. Fred Fontijn
|
|