|
Op het trottoir zwierf nonchalant een lege portemonnee. Waarschijnlijk leeggeroofd door één van Europa’s beste zakkenrollers, de erenaam die Geert Mak ze geeft in zijn boekenweekgeschenk van 2006 ‘De Brug’. Die brug is de brug over de Bosporus in Istanbul – daar vierden mevrouw Fontijn en ikzelf een weekje vakantie. Het was niet de eerste en zal ook zeker de laatste niet zijn, die nutteloos geworden was weggesmeten. Zo’n aanblik zorgt wel voor de reflex: ‘Misschien zijn de daders nog in de buurt’. Waardoor waardevolle bezittingen die je bij je draagt, nog beter worden beschermd.
Turken in Istanbul stralen geen vrolijkheid uit, ernstig kijkend bewegen zij zich voort en wat je hoort zijn korte, staccato uitgesproken zinnen. Alsof ze doorlopend opdrachten geven. Even had ik het idee, dat alle Turken wel eens zakkenrollers zouden kunnen zijn. Maar dat gaat natuurlijk veel te ver. Alleen maar omdat ze kort en bondig communiceren? Nee, die manier van praten kom ik vaker tegen, neem de Groningers of de Drenthen, die knauwen er in de oren van een westerling ook lustig op los. Ben je daar eenmaal aan gewend dan klinkt het als muziek.
Het norse van de Turken valt reuze mee. Donker haar, donker uiterlijk en de mannen vaak met een snor, dat ziet er al snel nors uit. Wanneer er echter een lach doorbreekt, geeft dat een heel ander mens te zien. Gastvrij zijn ze zeker en erg lichamelijk. In één van de vele restaurantjes bijvoorbeeld, we hadden net een heerlijk maal verorberd, zat ik even wat achterover geleund en wreef me over mijn volle buik. De ober die het zag, moest daar om lachen en wreef en beklopte mijn buik goedkeurend. Het eten moest wel goed gesmaakt hebben, vond hij en als beloning masseerde hij uiterst professioneel mijn schouders.
Zoiets is me bij Diggels, Meursinge, Napoleon of Het Rietendak, allen hier in Midden-Drenthe, nog nooit overkomen en zal me daar ook nooit gebeuren. Maar daarom is het eten bij deze gelegenheden er niet minder om.
Fred Fontijn
|
|