|
Al een paar keer had ik het zien staan, schuin vanuit mijn ooghoeken. Dat was wanneer ik bij huis weg reed. Altijd eerst even achteruit een flauwe bocht naar rechts, dan in z’n vooruit, beetje bijdraaien en weg ben ik. Het staat bij de overburen, die van gemeente werken, het is een behoorlijk beschadigd wachthuisje. Bushuisje mag ook, daarover kan geen verwarring bestaan, in Midden-Drenthe rijden geen trams en wat de jongens van gemeentewerken ophalen, komt beslist uit deze gemeente. Die grens mogen ze niet over.
Misschien staat het er al vanaf oud en nieuw, ik weet het niet, toen is er veel gebeurd. Maar over een wachthuisje heb ik niets gehoord. Dat is geen garantie, ik kan niet alles weten. Het intrigeert me wel. Dat hokje moet veel hebben meegemaakt, het is nog van het soort dat tien jaar geleden gebruikelijk was, nu zijn ze moderner. Tien jaar langs de weg staan en bezocht worden door diverse soorten reizigers, scholieren, ziekenhuisbezoekers, tja echt van alles. Helaas, hokjes praten niet, ik zal er wel nooit achterkomen. Toch ben ik er al drie keer naar toe gelopen, laat in de middag, zo tussen vijf en zes wanneer het in februari net wat duister begint te worden.
Eerst keek ik natuurlijk even om me heen, vanaf de deur. Niemand te zien? Daar ging ik, de eerste keer draaide ik me halverwege maar weer om. Een beetje gênant vond ik het wel. De tweede en de derde keer liep ik door. Toen zag ik het voor het eerst van dichtbij, ik schrok er van. Echt het was erg beschadigd, ruiten stuk en ijzer verbogen. Zonde toch. De verf zat er nogal slordig op, geen ervaren graffiti spuiter. Maar goed dat het wachthuisje is weggehaald, de bezoekers zouden er niets meer aan gehad hebben, enige bescherming zou het niet meer bieden. Mijn bezoekje kon geen uitsluitsel brengen over wat er precies was gebeurt, inderdaad slachtoffer van de jaarwisseling of was er een auto tegenaan gereden? Bloed zag ik niet, je weet het echter nooit.
Onverrichter zaken keerde ik naar huis terug, met een onbevredigend gevoel. Tientallen vragen kwamen er in mij op. Stellen deed ik ze niet, waarom zou ik. Ik kijk nu wel wat aandachtiger wanneer ik bij huis weg rij. Het maakt me niet vrolijk wat ik zie. Na een week of zo, ben ik nog maar eens gaan kijken. Op de één of andere manier ontstaat er dan toch een band. Het hek tussen ons stoort, maar er over heen klimmen gaat me wat te ver. Misschien hebben er wel mensen in dit hokje hun eerst kussen gedeeld, wachtend op de bus. Mooier tijdverdrijf is er bijna niet. Of misschien kreeg juist iemand een tik op z’n vingers omdat hij juist net wat te ver ging. Ook overwoog ik de mogelijkheid, dat kunstliefhebbers het weg hebben laten halen, te lelijk.
Fred Fontijn
|
|